ANDERE

Deze pagina heeft tot doel u informatie te geven over vaak voorkomende neusaandoeningen. Als u recent bij een neus-, keel- en oorarts (nko-arts) bent geweest, die u heeft verteld over één van de oorzaken van uw klachten is, dan kunt u op deze plaats daarover meer gegevens lezen. Ook als u er gewoon meer wenst over te weten.

De nervus facialis of aangezichtszenuw

Beide kanten van uw gezicht hebben een nervus facialis ofwel aangezichtszenuw. Deze zenuw zorgt voor de gelaatsexpressie van het aangezicht (mimiek). Ook het sluiten van uw ogen en mond wordt geregeld door deze zenuw. De aangezichtszenuw komt uit de hersenen en loopt door een nauw, benig kanaal (tunnel) in de schedel. Eerst langs het inwendig gehoororgaan, dan langs een middenoorbeentje (de stijgbeugel) om tenslotte tevoorschijn te komen in de oorspeekselklier, die voor het oor ligt. In deze speekselklier splitst de zenuw zich in verschillende takken naar de spieren van het gezicht. Een kleine aftakking van deze zenuw loopt naar de tong en zorgt voor de smaak.
De aangezichtszenuw is vergeleken met andere zenuwen kwetsbaar. Waarschijnlijk komt dit vanwege het nauwe en lange benige kanaal waardoor de zenuw verloopt. Wanneer om welke reden dan ook de zenuw binnen de schedel beschadigd wordt, gaat de zenuw minder goed functioneren. De aangedane zijde van uw aangezicht beweegt niet goed meer mee. U heeft een verlamming aan deze zijde. Soms kunnen ook (oor)pijnsensaties ontstaan.

De verlammingsverschijnselen

Wanneer de aangezichtszenuw (vrijwel altijd aan één zijde) slecht functioneert, valt de functie van de spieren in die gezichtshelft uit. Dit noemt men een facialisverlamming. Het gevolg is een scheef gezicht. De mondhoek hangt lager, de plooi tussen neus en mondhoek verdwijnt en het oog is wijder dan aan de gezonde zijde. Het is onmogelijk het oog te sluiten en bij pogingen daartoe ziet men het oogwit verschijnen. Dit wordt veroorzaakt door het omhoog draaien van de oogbol. Een gewoon verschijnsel dat normaal niet wordt gezien, omdat het ooglid er overheen schuift. De wang is slap en doordat de mond deels omlaag hangt, is praten en slikken moeilijk. Soms loopt speeksel uit de mond.
Een verlamming kan volledig of onvolledig zijn. Bij een onvolledige verlamming zijn de aangezichtsspieren in beperkte mate beweeglijk. Een onvolledige verlamming kan zich binnen enkele dagen toch nog ontwikkelen tot een volledige verlamming.

Oorzaken

De ziektegeschiedenis en het nko-onderzoek kunnen mogelijk uitwijzen om welke oorzaak het gaat. Zonodig kan een gehoortest worden afgenomen, gevolgd door eventueel laboratoriumonderzoek en een scan (CT of NMR).
Oorzaken van een facialisverlamming kunnen onder andere zijn:

Oorontsteking.
Schedelletsel of letsel na operatie, bijvoorbeeld aan het oor of aan de speekselklier.
Zona (herpesinfectie). Hierbij zijn blaasjes, zoals bij waterpokken, zichtbaar in oorschelp en omgeving. De verlamming is vaak pijnlijk en gaat soms gepaard met gehoorverlies en evenwichtsstoornissen.
Een tumor die op de zenuw drukt. Hierbij treedt de verlamming dikwijls zeer geleidelijk op.

De zogenaamde tekenbeetziekte (ziekte van Lyme).
In echter ca. 50% van de gevallen spreken we van de verlamming van Bell:
De verlamming van Bell
De verlamming van Bell, genoemd naar de Engelse chirurg Sir Charles Bell (1774-1842), kan in het algemeen als een milde aandoening worden gezien. De verlamming wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het herpes simplex virus, type 1. Dit virus, dat ook de bekende “koortslip” doet ontstaan, zou een sluimerend bestaan leiden in zenuwweefsel en weer actief worden na blootstelling aan tocht, een groot temperatuursverschil, heftige emoties, enz.. Hierdoor ontstaat een ontsteking van de nervus facialis. Deze zwelt op en wordt waarschijnlijk in het benige kanaal afgeklemd.

Prognose van de aangezichtsverlamming

De verlamming van Bell geneest vaak zonder behandeling binnen 6 tot 8 weken spontaan en volledig. De leeftijd speelt hierbij echter een grote rol: in de leeftijd tot 30 jaar in 85-90% van de gevallen, van 30 tot 45 jaar in 76%, van 45 tot 60 jaar in 61% en daarboven bij slechts 37%. Een onvolledige verlamming geneest meestal vanzelf zonder problemen.
Duurt de genezing langer, dan zal volledig herstel waarschijnlijk niet optreden. Hierop is de kans ook groter als bij een volledige verlamming door zenuwverval de nervus facialis beschadigd wordt. De mate van zenuwverval kan bepaald worden met behulp van een elektrische zenuwtest; hierbij wordt de zenuw via de huid electrisch geprikkeld. Vooral in het beginstadium van de verlamming is regelmatige controle op eventuele zenuwbeschadiging door de nko-arts gewenst.

Restverschijnselen

Na een aangezichtsverlamming met zenuwverval kunnen hinderlijke verschijnselen blijven bestaan. Door een verminderde spierkracht kunnen oog en mond onvolledig worden gesloten. De aangedane zijde kan abnormaal meebewegen, bij spreken, eten en fluiten. Verder kan de aangedane zijde strak aanvoelen en het oog tijdens het eten tranen (“krokodillentranen”).
Het herstel zal een jaar na het begin van de verlamming niet verder doorzetten.
Na verloop van jaren kan de verlamming minder zichtbaar worden, omdat de huid ouder wordt en uitzakt. Het eindresultaat is vaak acceptabel.

Behandeling

Rust
Bij de verlamming van Bell zal het spontaan herstel worden afgewacht zolang de functie niet of niet helemaal uitvalt. Gedurende een paar weken moet rust in acht worden genomen om het natuurlijke genezingsproces zoveel mogelijk te bevorderen.
Oogproblemen
Ter voorkoming van oogproblemen wordt geadviseerd tijdens de nachtelijke uren het aangedane oog te behandelen met oogzalf of af te plakken met een horlogeglasverband. Dit voorkomt uitdroging. Zonodig kunnen overdag beschermende oogdruppels worden gebruikt.

Medicatie
Bij ernstige verlammingen kan worden voorgesteld een kuur te starten met cortisone, eventueel in combinatie met een anti-herpesvirusmiddel, liefst binnen één week. Cortisone, dat ook door het lichaam in de bijnierschors wordt geproduceerd, heeft het vermogen de gevolgen van een ontsteking, terug te dringen.
Aanvullend onderzoek
Indien na 3 maanden geen herstel optreedt moet de diagnose “verlamming van Bell” herzien worden. Aanvullend onderzoek (o.a. scans) is dan noodzakelijk.

Mimetherapie
Bij onvolledig herstel door beschadiging van de zenuw kunnen de hinderlijke restverschijnselen (asymmetrie in het gezicht, verminderde functie en abnormaal meebewegen) zoveel mogelijk onderdrukt worden door specifieke oefentherapie (“mimetherapie”). Deze behandeling beoogt een betere controle te verkrijgen over de gestoorde gelaatsexpressie. Door oefenen wordt een bewust verband gelegd tussen lichaamstaal, emoties en gelaatsuitdrukking. De oefeningen zijn gericht op ontspanning, beheersing van de ademhaling en het leren bewegen van de mimische spieren van gezonde en aangedane zijde samen.

Plastische chirurgie

Alleen bij bedreiging van het oog (dit gebeurt zelden) is plastische chirurgie aangewezen.

Overige behandelingen

Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat operatief openboren van het zenuwkanaal, om de druk op de zenuw weg te nemen, geen effect heeft. Elektrotherapie is niet zinvol en kan waarschijnlijk het strakke gevoel in de spieren (contractuur) doen toenemen.
In andere gevallen dan de verlamming van Bell zal behandeling van de oorzaak van de verlamming noodzakelijk zijn: een oorontsteking, een tumor, antivirale medicatie (zona), een zenuwreconstructie na zenuwletsel of antibiotica (tekenbeetziekte).

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts en om nadere uitleg te vragen.

DE ZIEKTE VAN MÉNIÈRE

Deze pagina heeft tot doel u informatie te geven over de ziekte van Ménière. Als u recent voor deze aandoening bij de neus-, keel- en oorarts (nko-arts) bent geweest, dan kunt u op deze plaats daarover meer gegevens lezen.

Wat is de ziekte van Ménière?

De ziekte van Ménière wordt gekenmerkt door een combinatie van drie klachten:

  1. Aanvallen van hevige draaiduizelingen.
  2. Slechthorendheid (vrij plots ontstaan).
  3. Oorsuizen (meestal toenemend bij een aanval) of druk op het oor.

Pas als al deze symptomen allemaal aanwezig zijn en er geen andere oorzaak voor deze klachten aanwijsbaar is, wordt de diagnose “echte” ziekte van Ménière gesteld. Het was de Franse arts Prosper Ménière die in 1861 deze combinatie van klachten voor het eerst beschreef.

Wat voor klachten heeft een patiënt met de ziekte van Ménière?

Aanvallen van draaiduizelingen
In het algemeen verstaat men onder duizeligheid veel verschillende klachten. Deze zijn onder anderen: draaien met neiging tot omvallen, knikkende knieën, zwart worden voor de ogen, zweven, een gevoel van dronkenschap, lichtheid of juist zwaarte in het hoofd, flauw vallen.
Bij de ziekte van Ménière treden vooral in het beginstadium plotseling aanvallen op van draaiduizeligheid met valneiging. Meestal gaan deze aanvallen gepaard met misselijkheid, braken, bleek zien en koud zweet. 
Tijdens deze aanvallen, die meestal enkele uren in beslag nemen, is het niet meer mogelijk de normale werkzaamheden te verrichten. De meeste mensen gaan naar bed wanneer zo’n aanval optreedt. Na een nacht slapen voelt men zich weer wat beter. Niet iedere aanval is even zwaar. Sommige aanvallen duren slechts enkele minuten, en niet iedereen hoeft over te geven tijdens een aanval.
Het is niet te voorspellen of en wanneer zich weer een aanval voordoet. Tussen de aanvallen door kan de patiënt helemaal vrij zijn van duizeligheid; soms echter blijft hij/zij licht in het hoofd, onzeker, zweverig of heeft een “dronken” gevoel.

Slechthorendheid
In aansluiting op de eerste aanval, maar soms later, ontstaat gehoorverlies, aanvankelijk vrijwel altijd eenzijdig. Meestal begint het gehoorverlies in de lage tonen. In de loop van de tijd kan ook het verstaan van spraak minder makkelijk worden. Vooral in het begin van de ziekte kan de ernst van de slechthorendheid nogal wisselen. In een enkel geval ontstaat gehoorverlies aan beide oren. Sommige mensen hebben last van vervorming van geluid. Geluid kan ook als te hard of onaangenaam ervaren worden.

Oorsuizen
De patiënt heeft last van oorsuizen. Eigenlijk is de benaming “oorsuizen” niet altijd juist: het geluid in het oor is lang niet altijd suizend van karakter maar kan brommend, dreunend of fluitend zijn. Bovendien lokaliseren sommige mensen het gehoorde lawaai niet in het oor maar in hun hoofd. Meestal is het oorsuizen het ergst tijdens en vlak na een duizeligheidaanval.

Drukgevoel
Vele patiënten klagen ook over een drukgevoel of een vol, verstopt gevoel in het oor. Vaak gaat dit gevoel vooraf aan een aanval.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Wanneer op basis van uw klachten aan de ziekte van Ménière wordt gedacht is verder onderzoek nodig.
Ten eerste wordt door de nko-arts het gehoor getest.
Daarna kan eventueel een evenwichtsonderzoek worden verricht.
Soms is het belangrijk bloedonderzoek te laten uitvoeren.
Ook kan het soms nodig zijn onderzoek te doen naar het functioneren van de gehoorzenuw (BERA), of foto’s te maken met behulp van röntgenonderzoek (CT-scan) of MRI van het slakkenhuis en de gehoorzenuw.
Zo nodig wordt een neuroloog of internist geraadpleegd.
De klachten-combinatie: aanvalsgewijze draaiduizeligheid, gehoorverlies en oorsuizen, zonder andere aantoonbare oorzaak, leidt dan tot het stellen van de diagnose “ziekte van Ménière”.

Wat is de oorzaak?

Ondanks jaren van uitgebreid onderzoek, ook in ons land, is nog steeds niet bekend wat nu de precieze oorzaak van de ziekte is. Waarschijnlijk is sprake van ophoping (hydrops) van endolymfe, de vloeistof die zich in de binnenste ruimte van het slakkenhuis bevindt. Een scheurtje in de dunne wand tussen deze (endolymfatische) ruimte en de ruimte erom heen, (gevuld met de vloeistof perilymfe), leidt tot vermenging van deze vloeistoffen en kan een aanval geven.
De oorzaak van deze hydrops is nog onbekend. Er wordt op dit moment veel onderzoek naar de ziekte van Ménière gedaan. 
Stress en drukte veroorzaken de ziekte niet, maar kunnen deze wel negatief beïnvloeden. Overbelasting kan leiden tot het opnieuw actief worden van de ziekte. Het is opvallend dat veel patiënten met de ziekte van Ménière blootstaan aan stress en drukte. Niet zelden zijn het perfectionisten, met een karakter gekenmerkt door zorgvuldigheid, ijver en plichtsbesef. Zij stellen hoge eisen aan zichzelf en aan hun omgeving.

Hoe ontstaat een Ménière-aanval?

Het binnenoor (slakkenhuis) bestaat uit drie compartimenten, die gevuld zijn met vloeistof. Het bovenste en onderste bevatten Perilymfe, het middelste Endolymfe. Deze vloeistoffen zijn verschillend van samenstelling.  Middelste en bovenste compartiment zijn gescheiden door een dun vlies, de membraan van Reisner
1. In het middelste compartiment, de Scala Media of ook wel de endolymfatische ruimte (E), zit het eigenlijke  gehoororgaan, het orgaan van Corti. De Scala media is ook verbonden met het evenwichtsorgaan. Veranderingen in de endolymfatische ruimte beïnvloeden dus zowel het gehoor als het evenwicht.
2. Om nog steeds niet bekende redenen kan er in de Scala media een overproductie van endolymfe optreden. Daardoor komt de membraan van Reisner onder spanning te staan en gaat dan  uitpuilen. Vermoedelijk ontstaat hierdoor ook het drukgevoel, waarover veel patiënten klagen, voorafgaand aan een aanval.
3. Als de membraan teveel wordt uitgerekt, kan hij scheuren (S). Daardoor raken endolymfe en perilymfe met elkaar vermengd, waardoor van beide vloeistoffen de samenstelling verandert. Het orgaan van Corti en het evenwichtsorgaan raken dan allebei in de war. Daardoor ontstaan gehoorverlies en oorsuizen (in het gehoororgaan) en duizeligheid (in het evenwichtsorgaan). Er treedt een Ménière-aanval op.
4. Door de scheur in de membraan verdwijnt de spanning in het binnenoor. Omdat de membraan elastisch is, neemt hij vrij snel zijn oude stand weer aan. Het scheurtje geneest met een klein litteken (L) en de beide vloeistoffen krijgen in enkele dagen weer hun oorspronkelijke samenstelling. De aanval gaat geleidelijk over, maar er blijft nog vrij lang een onzeker gevoel bestaan.

Waaruit bestaat de behandeling?

Daar de oorzaak van de ziekte van Ménière niet bekend is, is er nog geen afdoende behandeling.
In België en in de meeste Europese landen bestaat de behandeling in de eerste plaats uit het aanpassen van de levensstijl. Het is van belang dat u grote spanningen probeert te vermijden. Maakt u zich verder niet te druk. Trek als het ware op tijd aan de handrem. Dit is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Uw neus-, keel- en oorarts of uw huisarts kan u misschien hierbij helpen.
In de tweede plaats kan uw Neus-, Keel- en Oorarts u medicatie voorschrijven. Er zijn verschillende medicijnen beschikbaar om de duizeligheid te voorkomen of te bestrijden. Het zal van de situatie en de patiënt afhangen voor welk middel gekozen wordt.
Soms kan geprobeerd worden om met een hoortoestel het gehoorverlies te verhelpen of het oorsuizen te maskeren. Dit kan overigens moeilijk zijn omdat de versterkte geluiden al snel als te hard en onaangenaam worden ervaren.
In het algemeen is men er in ons land niet van overtuigd dat de ziekte van Ménière met een operatie te verhelpen is.
Tenslotte moet niet alleen u, maar ook uw naaste omgeving accepteren dat u de ziekte van Ménière heeft. Niemand – u, uw partner, uw gezin en uw werkomgeving – is er bij gebaat als U te veel hooi op uw vork neemt. Begrip voor uw situatie komt niet vanzelf, goede communicatie is daarvoor noodzakelijk.

Hoe is het beloop van de ziekte van Ménière?

In het begin staat vooral de angst voor een volgende duizeligheidaanval op de voorgrond. Later speelt de slechthorendheid een grotere rol, vooral als beide oren aangedaan zijn. In het algemeen wordt het gehoor op den duur slechter, terwijl de duizeligheidaanvallen in de loop van de jaren verdwijnen. De ziekte van Ménière komt eigenlijk altijd tot rust, al kan dit geruime tijd duren.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke
situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen. HYPERLINK “http://www.kno.nl/voorlichting/meniere.php”

WAT IS DUIZELIGHEID?

Iedereen is wel eens duizelig geweest. Toch is het moeilijk het begrip duizeligheid te omschrijven.
In het algemeen wordt onder duizeligheid verstaan het gevoel dat beleefd wordt als de relatie tot de ruimtelijke omgeving verstoord is. Normaal gesproken krijgt ieder mens voortdurend informatie over de ruimte om zich heen en over de positie die het lichaam daarbinnen inneemt. Die informatie is afkomstig van de volgende systemen:
De evenwichtsorganen. Het evenwichtsorgaan is gelegen in het rotsbeen en vormt met het binnenoor het slakkenhuis. Het evenwichtsorgaan is gevoelig voor de stand van het hoofd en voor veranderingen van de snelheid van het hoofd.
Het tweede belangrijke zintuig, dat onze oriëntatie beïnvloedt, zijn de ogen. Dit weet iedereen uit eigen ervaring: als men de ogen sluit, is lopen of stilstaan moeilijker.
Tenslotte beschikken wij over het zogenaamde diepe gevoel in spieren en pezen. Vooral de signalen uit de benen en de nek geven informatie over de stand van het lichaam, en van het hoofd ten opzichte van het lichaam.
Al deze informatie, van de evenwichtsorganen, de ogen en het diepe gevoel, wordt verwerkt in de hersenstam en de kleine hersenen. Van daaruit gaan prikkels naar de spieren van het lichaam, zodat wij houding en evenwicht kunnen aanpassen en bewaren.
Er gaan ook signalen met informatie naar de grote hersenen waar het bewustzijn zetelt. Indien daar verkeerde of nog niet bekende signalen binnenkomen, ontstaat het gevoel van duizeligheid. Duizeligheid is dus de ervaring van een gevoel, dat op zichzelf – net zoals pijn – niet gemeten kan worden. Van pijn echter weten we vaak waar het vandaan komt, van duizeligheid meestal niet, en dat maakt het zoeken naar de oorzaak van de klacht soms erg lastig.

Verschijnselen van duizeligheid

De meeste mensen klagen bij duizeligheid over draaierigheid, een licht gevoel in het hoofd, het gevoel alsof de wereld om hen heen draait of dat zijzelf rondtollen. Als u dit gevoel heeft, kunt u gedesoriënteerd zijn en moeite hebben met het bewaren van uw evenwicht. Dit onaangename gevoel kan gepaard gaan met allerlei andere klachten zoals angst, transpireren, geeuwen, zuchten, misselijkheid en braken. Klassieke voorbeelden van bovengenoemd ziektebeeld zijn wagen- en zeeziekte.

Oorzaken van duizeligheid

Elke stoornis op een van de plaatsen in het hele systeem kan duizeligheid en/of evenwichtsklachten veroorzaken.

  1. Vooral een acute aandoening van één evenwichtsorgaan leidt tot heftige duizeligheid met misselijkheid en braken. Vaak ziet men de omgeving draaien. Soms heeft men ook het gevoel alsof men opzij geduwd wordt of in een put valt. De klachten kunnen van enkele seconden tot weken duren, waarna spontaan herstel optreedt. Bij dit laatste speelt het centrale zenuwstelsel een belangrijke rol.
De meest bekende oorzaken van een stoornis van het evenwichtsorgaan zijn:
    – Een ongeval met hoofdletsel (scheur door het rotsbeen; hierin liggen het   binnenoor en evenwichtsorgaan).
    – Ontstekingen (griep, middenoorontsteking).
    – Ziekte van Ménière (zie de betreffende pagina).
    – Doorbloedingsstoornissen van evenwichtsorganen en/of hersenen.
    – Een goedaardige tumor op de evenwichtszenuw.
  2. Ook kunnen aandoeningen van het gezichtsvermogen en vooral van de oogspieren aanleiding geven tot duizeligheid. Dit treedt bijvoorbeeld op bij het in gebruik nemen van een (nieuwe) bril of bij oogspierverlammingen.
  3. Het diepe gevoel kan gestoord raken bij aandoeningen van het zenuwstelsel in de benen, bijvoorbeeld bij suikerziekte. Een andere bekende oorzaak is de beschadiging van de nek, optredend bij autobotsingen (whiplash-trauma).
  4. Duizeligheid ontstaat ook bij stoornissen van de regelcentra in de hersenstam en de kleine hersenen, bijvoorbeeld:
    Doorbloedingsstoornissen, zoals bij hartritmestoornissen en veranderingen in de bloeddruk.
    Stofwisselingsstoornissen, zoals een laag bloedsuikergehalte bij een ontregeling van suikerziekte.
    Vergiftigingen, vooral door alcohol of medicijngebruik.
  5. Ook de grote hersenen zijn gevoelig voor de boven genoemde stoornissen. Daarenboven kunnen psychische toestanden als stress en spanningen via een indirecte weg ook tot duizeligheid leiden.
  6. Tot slot kunnen stoornissen in de zenuwen en de spieren, die houding en evenwicht bewaren, “omgekeerd” het gevoel van duizeligheid veroorzaken.
    Kortom, een lange reeks van klachten en vele oorzaken die het de patiënt en de dokter niet gemakkelijk maken om met de klacht duizeligheid om te gaan.

Onderzoek

Verreweg het belangrijkste deel van het onderzoek is uw eigen verhaal! Op grond daarvan kan vaak al vermoed worden wat de oorzaak van de duizeligheid (geweest) is en welk onderzoek verricht zal moeten worden. 
In uw verhaal wordt gelet op de volgende vier aspecten:
Om wat voor een soort duizeligheid gaat het? Voelt men bewegingen in het hoofd of van het hele lichaam? Draait de omgeving? Bestaat er valneiging of het gevoel te vallen? Is men licht in het hoofd? Schommelen of wiebelen, etc?
Het verloop in de tijd. Ontstonden de klachten geleidelijk of acuut? Hoe lang heeft de duizeligheid bestaan? Is de duizeligheid continu aanwezig?
Zijn er bepaalde omstandigheden waaronder de klachten optreden of verergeren? Afhankelijk van hoofdbewegingen? Optredend in bed, bij rechtop gaan staan of tijdens lopen, in drukke winkels of op het werk?
Zijn er andere verschijnselen, zoals oorsymptomen? (verminderd gehoor, éénzijdig of tweezijdig, oorsuizen, pijn of vol gevoel in het oor), misselijkheid, braken, hoofdpijn, het gevoel flauw te vallen of weg te raken, hartkloppingen, transpireren, moeite met praten of slikken, dubbelzien of uitval van een gezichtsveld, benauwdheid, angst, etc.
Verder zal nog gevraagd worden naar het bestaan van andere ziektes, terwijl ook het medicatiegebruik nauwkeurig bekend moet zijn!
U begrijpt, dat het verhaal erg lang kan zijn en dat bij het eerste bezoek aan de nko-arts niet alles ter sprake kan komen. Vaak komt er later nog een gelegenheid, bijvoorbeeld tijdens het aanvullend onderzoek. Zoals al gezegd is, kan het gevoel van duizeligheid zelf niet gemeten worden, maar de orgaansystemen die een bijdrage leveren aan het handhaven van oriëntatie, houding en evenwicht kunnen wél nader onder de loep genomen worden. 
Het meer algemene onderzoek, dat mogelijk al door de huisarts is verricht, kan bestaan uit het meten van hartslag en bloeddruk, een algemeen bloedonderzoek, inspectie van de oren, beoordelen van oogbewegingen, houding en evenwicht en meten van gevoel en reflexen.
Zonodig kan het algemene onderzoek gevolgd worden door een meer specialistisch gehoor- en evenwichtsonderzoek en in uitzonderingsgevallen door een scan (CT of NMR).
Aan de hand van uw verhaal en de resultaten van het aanvullende onderzoek lukt het meestal stapje voor stapje de oorzaak van de duizeligheid op te sporen.

Behandeling

Uw dokter is vooral geïnteresseerd in de oorzaak van uw klachten om een zo goed mogelijke behandeling te kunnen instellen: als men weet waar “de fout” zit, dan is er misschien ter plaatse ook iets aan te doen. Voor de klacht duizeligheid zelf bestaat geen medicatie!
Grofweg kan de behandeling als volgt worden onderverdeeld:
aanpak van de oorzaak: een aandoening van een evenwichtsorgaan kan door de nko-arts vaak goed behandeld worden. Algemene ziekten, van hart en bloedvaten, suikerziekte, bloedarmoede en aandoeningen van het zenuwstelsel kunnen behandeld worden door de huisarts of andere specialisten.
aanpak van de gevolgen: gelukkig is het centrale zenuwstelsel meestal in staat de beschadiging van een deel van het evenwichtssysteem te compenseren. Bij het aanleren hiervan kan hulp geboden worden, bijvoorbeeld door een kinesist.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke
situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

DE ONDERKAAKSPEEKSELKLIER (GLANDULA SUBMANDIBULARIS)

De mens heeft twee onderkaakspeekselklieren, die samen met twee oorspeekselklieren (glandulae parotis) en twee ondertongspeekselklieren (glandulae sublingualis) de zes grote speekselklieren vormen. Daarnaast bevinden zich nog talloze kleine speekselkliertjes vlak onder het slijmvlies van de mond- en keelholte. Al deze speekselklieren samen zorgen voor de dagelijkse speekselproductie (een belangrijke eerste stap in de spijsvertering) en het vochtig houden van de slijmvliezen van mond- en keelholte.

De onderkaakspeekselklieren liggen onder de tong aan de binnenzijde van de onderkaak (zie figuur). Het speeksel uit een onderkaakspeekselklier wordt via een dunne afvoerbuis naar een opening vlak achter de voortanden gevoerd.

Aandoeningen van de onderkaakspeekselklier waarvoor operatie soms noodzakelijk is:

  • Ontsteking
    In de klier of in de afvoerbuis naar de mond kunnen stenen voorkomen die de speekselafvoer belemmeren. Wanneer deze speekselstenen vast blijven zitten, kan een chronische ontsteking van de onderkaakspeekselklier ontstaan. Ook zonder speekselstenen kan de onderkaakspeekselklier chronisch ontstoken raken. Wanneer verwijdering van de steen via de mond geen effect heeft of niet meer mogelijk is of wanneer de pijnklachten en de ontstekingen ernstige vormen aannemen, kan besloten worden de aangedane onderkaakspeekselklier te verwijderen.
  • Goedaardig gezwel
    Een gezwel in de onderkaakspeekselklier kan worden opgemerkt doordat een bobbel onder een kaakrand ontstaat. Over het algemeen geeft dit geen pijnklachten. Een gezwel van de onderkaakspeekselklier is in ongeveer 50% van de gevallen goedaardig (een cyste, pleiomorf adenoom of Warthin tumor).
  • Kwaadaardig gezwel
    Een gezwel van de onderkaakspeekselklier is in ongeveer 50% van de gevallen kwaadaardig. Uit de klachten valt niet op te maken of het gezwel goed- of kwaadaardig is, zodat altijd verder onderzoek nodig is (zie bij onderzoek). Uw nko-arts zal zeker de gevolgen bij kwaadaardigheid met u bespreken. Bij een sterke verdenking op een kwaadaardig gezwel (kanker) worden meestal ook lymfeklieren rondom de onderkaakspeekselklier verwijderd en voor microscopisch onderzoek opgestuurd. Dit heeft meestal geen nadelige gevolgen voor u, hoewel er wel een iets grotere kans op zenuwbeschadiging bestaat (zie bij zenuwbeschadiging). Bij kwaadaardige tumoren is het vaak noodzakelijk dat u na de operatie ook nog wordt bestraald (nabestraling).

Er komen – naast de hierboven beschreven aandoeningen – ook nog zeldzame speekselklieraandoeningen voor, die meestal geen operatieve behandeling behoeven en niet in deze voorlichtingspagina worden behandeld.

Onderzoek onderkaakspeekselklier

De aard van de aandoening kan meestal aan de hand van gerichte vragen en het lichamelijk onderzoek worden vastgesteld. Soms is het ook nodig aanvullende röntgenfoto’s (OPG, CT-scan), MRI-scan of een echo van de onderkaakspeekselklier te maken. Wanneer het vermoeden van een tumor of cyste bestaat, worden meestal, door een prik met een dun naaldje, cellen gezogen uit de zwelling (vergelijkbaar met bloedprikken). Dit wordt “cytologisch onderzoek” genoemd. Deze cellen worden onder een microscoop door een anatoom-patholoog (weefseldeskundige) onderzocht. In 90% van de gevallen is het mogelijk een uitspraak te doen over de aard van de aandoening.
Wanneer absolute zekerheid nodig is, moet de speekselklier worden verwijderd, zodat de anatoom-patholoog buiten het lichaam weefselonderzoek kan doen.

De operatie

De onderkaakspeekselklier wordt verwijderd – in narcose – via een ongeveer 5 cm lange horizontale huidsnede ongeveer 3 cm onder de kaakrand. In dit gedeelte van de hals lopen een tak van de aangezichtszenuw, de tong- en smaakzenuw. De nko-arts zal deze zenuwen altijd proberen te sparen.
Soms ontstaat een gat in het slijmvlies van de mondholte. Dit geneest meestal zonder problemen vanzelf.
De operatie wordt beëindigd met het aanbrengen van een wonddrain (zie verder) en het hechten van de operatiewond.
De duur van de operatie bedraagt meestal 45-60 minuten. De opnameduur bedraagt meestal 2 dagen.

Wat zijn de mogelijke klachten van de operatie?

Pijn
De pijn na de operatie is meestal gering en wordt veroorzaakt door de wond en soms door de houding van het hoofd tijdens de operatie. Indien nodig, is paracetamol meestal voldoende als pijnstiller.

Zwelling
In het wondgebied treedt dikwijls geringe zwelling op, die na verloop van enkele weken weer verdwenen is. Een forse zwelling wijst op een ontsteking of bloeduitstorting.

Wonddrain
Voor de afvoer van wondvocht en om bloedophoping onder de huid te voorkomen, wordt een zogenaamde wonddrain (slangetje) in de wond gelegd, die door de huid van de hals weer naar buiten komt. De wonddrain die zuigkracht (veroorzaakt door een vacuümfles) moet blijven houden, is meestal 24 uur nodig.

Speeksel

Het gemis van een onderkaakspeekselklier heeft geen merkbare invloed op de hoeveelheid speeksel.

Eten

Wanneer er geen wond in de mond is ontstaan, kunt u de avond na de ingreep weer een lichte maaltijd nuttigen.

Gevoelszenuw

Om een onderkaakspeekselklier adequaat te verwijderen, is het niet mogelijk om alle gevoelszenuwen van de huid rond de huidsnede te behouden. Dit veroorzaakt na de operatie een verdoofd gevoel van het operatiegebied. Na verloop van enkele maanden wordt het verdoofde gebied steeds kleiner en meestal herstelt het helemaal.

Hechtingen

Het hechtmateriaal (indien niet zelfoplosbaar) kan na een achttal dagen ambulant door de nko-arts of door de huisarts worden verwijderd.

Litteken

De operatiewond ligt in de schaduw van de onderkaak in een bestaande huidplooi, zodat het litteken na enkele maanden nauwelijks meer zichtbaar is.

Is er kans op complicaties?

Nabloeding
Wanneer er veel bloed via de wonddrain afloopt of het operatiegebied dikker wordt, is er sprake van een nabloeding. Het is dan meestal noodzakelijk de wond opnieuw onder narcose te openen om een nog bloedend bloedvaatje dicht te maken.
Ontsteking van de wond
Soms blijft het wondgebied (te) pijnlijk of wordt na enkele dagen pijnlijk en zwelt op. De huid rond de wond is of wordt dan ook vaak rood. Neemt u dan contact op met uw nko-arts. Er kan dan sprake zijn van een wondinfectie. U krijgt hiervoor dan soms een antibioticumkuur.
Zenuwbeschadiging
Om een onderkaakspeekselklier adequaat te verwijderen is het vrijwel altijd mogelijk om de belangrijkste zenuwen in dat huidgebied te behouden. Zenuwbeschadiging kan ontstaan wanneer een zenuwtakje (de zogenaamde mondtak of een lager gelegen halstak) van de aangezichtszenuw (nervus facialis) wordt beschadigd. Na de operatie is er in ongeveer 10% van de gevallen gedurende enkele dagen tot weken enige zwakte in de beweeglijkheid van de mondhoek. Over het algemeen verbetert dit na enkele weken. Zelden ontstaat er een blijvend scheve mond, die alleen zichtbaar is bij aanspannen van de spieren van de mondopening.
De kans op beschadiging van de zenuwen van de tong (voor gevoel, smaak en beweging) is bij deze operatie zeer klein.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

DE OORSPEEKSELKLIER (GLANDULA PAROTIS)

De oorspeekselklier is gelegen voor en onder het oor; het is de klier die bij de ziekte ‘bof’ gezwollen is. De mens heeft twee oorspeekselklieren, die samen met twee speekselklieren onder de kaak en twee onder de tong de zes grote speekselklieren vormen. Daarnaast bevinden zich nog talloze microscopisch kleine speekselkliertjes vlak onder het slijmvlies van de mond- en keelholte. Al deze speekselklieren samen zorgen voor de dagelijkse speekselproductie, die belangrijk is voor de eerste stappen in de spijsvertering en het vochtig houden van de slijmvliezen van mond- en keelholte. Via een afvoergang, die in het wangslijmvlies uitmondt, wordt het speeksel uit de oorspeekselklier naar de mondholte afgevoerd.
 De oorspeekselklier bestaat uit twee delen: een oppervlakkig en een diep gelegen deel, respectievelijk de oppervlakkige en diepe kwab genoemd (zie verder). Tussen deze twee kwabben loopt een belangrijke zenuw, de aangezichtszenuw (nervus facialis). Deze zenuw verzorgt de mimiek van het aangezicht (lachen, huilen, grimassen), het sluiten van de lippen (drinken) en het sluiten van de oogleden.

Welke problemen kunnen er bestaan met de oorspeekselklier?

De oorspeekselklier kan op twee manieren een probleem geven:

  1. Gezwel
    Een gezwel in de oorspeekselklier kan worden opgemerkt doordat een bobbel onder een kaakrand ontstaat dan wel op de wang, voor of vlak onder het oor. Soms gaat het oorlelletje wat naar buiten staan. Over het algemeen geeft dit geen pijnklachten of uitval van de aangezichtszenuw.
De meeste gezwellen zijn goedaardig (een cyste, pleiomorf adenoom of Warthintumor).
Kwaadaardige gezwellen van de speekselklieren zijn zeldzaam.
  2. Ontsteking
    In de klier zelf of in de afvoerbuis naar de mond kunnen – hoewel uiterst zeldzaam – stenen voorkomen die de speekselafvoer belemmeren. Wanneer deze speekselstenen vast blijven zitten, kan een chronische oorspeekselklierontsteking ontstaan. Ook zonder speekselstenen kan de oorspeekselklier chronisch ontstoken raken. Wanneer de pijnklachten en de ontstekingen ernstige vormen aannemen, kan worden besloten de aangedane speekselklier te verwijderen

Onderzoek van de oorspeekselklier

De precieze oorzaak van een oorspeekselklieraandoening is niet altijd exact vast te stellen. Soms is het mogelijk door een prik met een dun naaldje (vergelijkbaar met bloedprikken) wat cellen uit de zwelling op te zuigen. Dit wordt ‘cytologisch onderzoek’ genoemd. Deze cellen worden onder een microscoop door een patholoog-anatoom (weefseldeskundige) onderzocht. Soms is het dan mogelijk een voorzichtige uitspraak te doen over de aard van de aandoening.
Meestal wordt, bij gezwellen van de oorspeekselklier, een radiografie afgesproken (CT-scan of MRI) om een betere diagnose te verkrijgen. Soms is het noodzakelijk het gezwel te verwijderen om de juiste diagnose, via microscopisch onderzoek, te verkrijgen.

Er bestaan twee soorten operaties van de oorspeekselklier:

  1. Oppervlakkige parotidectomie
    Wanneer de aandoening zich alleen aan de buitenzijde van de aangezichtszenuw bevindt (oppervlakkige kwab), kan volstaan worden met een oppervlakkige verwijdering van de parotis (zie bij operatie).
  2. Totale parotidectomie
    Indien de gehele speekselklier moet worden weggenomen om de aandoening afdoende te verwijderen, dan is er sprake van een totale parotidectomie

Het verloop van de operatie

De operatie van de oorspeekselklier valt in twee belangrijke delen uiteen:

  1. Het maken van de huidsnede
    Om de oorspeekselklier goed te kunnen overzien en te kunnen verwijderen, maakt de nko-arts een snede in de huid die voor het oor langs naar de hals loopt (zie figuur). Als het mogelijk is, wordt deze snede in een bestaande huidplooi gemaakt, zodat het litteken naderhand minder opvallend is.
    Op deze wijze kan een ruim zicht op de oorspeekselklier verkregen worden, zodat de aangezichtszenuw verantwoord kan worden opgezocht. 
Dit betekent dus dat soms een grote huidsnede nodig is om een relatief kleine aandoening veilig te kunnen verwijderen. De huidsnede voor een oppervlakkige of totale parotidectomie is hetzelfde.
  2. Het opzoeken van de aangezichtszenuw
    De hoofdstam van de aangezichtszenuw komt uit het rotsbeen (schedelbot waar het oor in zit) de oorspeekselklier binnen en vertakt zich vervolgens naar de verschillende spiergroepen (voorhoofd, oog, wang en mond) van het aangezicht (zie figuur). Vanaf de hoofdstam worden alle zenuwvertakkingen opgezocht, vervolgd en vrijgelegd. Door dit te doen wordt de oppervlakkige kwab vanzelf veilig verwijderd (dit oorspeekselklierweefsel ligt als het ware op de aangezichtszenuw). Bij de totale parotidectomie moet ook het oorspeekselklierweefsel onder de aangezichtszenuw worden weggenomen. De operatie duurt dan langer en de aangezichtszenuw moet veel vaker worden aangeraakt.
    De operatie wordt beëindigd met het aanbrengen van een wonddrain (zie verder) en het hechten van de operatiewond. De duur van de operatie (1 – 4 uur) hangt af van de uitgebreidheid en plaats van de aandoening in de oorspeekselklier.

Wat zijn de directe gevolgen van de operatie?

Pijn
De pijn na de operatie is meestal gering en wordt veroorzaakt door de wond en soms door de houding van het hoofd tijdens de operatie. Indien nodig is paracetamol meestal voldoende als pijnstiller.
Zwelling
In het wondgebied treedt dikwijls enige zwelling op, die na verloop van enkele weken weer verdwenen is.
Wonddrain
Voor de afvoer van wondvocht en om bloedophoping onder de huid te voorkomen, wordt een zogenaamde wonddrain in de wond gelegd, die door de huid van de hals weer naar buiten komt. De wonddrain die zuigkracht (veroorzaakt door een vacuümfles) moet blijven houden, is meestal 48 uur nodig. Wanneer de wond minder dan 15 cc wondvocht maakt in 24 uur, kan de wonddrain verwijderd worden. Dit verwijderen is gevoelig en kan niet verdoofd worden.

Speeksel

Het gemis van (een deel van) de oorspeekselklier heeft geen merkbare invloed op de hoeveelheid speeksel.
Aangezichtszenuw
Zoals uit de beschrijving van de oorspeekselklieroperatie (parotidectomie) blijkt, speelt de aangezichtszenuw een centrale rol bij een parotidectomie. Elke aanraking van de zenuw met chirurgische instrumenten kan zwelling van de zenuw veroorzaken, waardoor de functie na de operatie tijdelijk belemmerd kan worden. De uitgebreidheid van de operatie (oppervlakkig/totaal en/of kleine/grote aandoening) bepaalt de ernst van tijdelijk verminderde spieractiviteit in één gelaatshelft. Hierdoor ontstaat een (gedeeltelijk) scheef gezicht. Voorafgaande aan de operatie valt niet vast te stellen bij wie en hoe ernstig functievermindering zal optreden.
Wanneer het oog na de operatie niet gesloten kan worden, is het dragen van een horlogeglasverband (pleisterverband met ingebouwd doorzichtig gedeelte) ’s nachts nodig, naast het gebruik van oogdruppels om uitdroging van het oog te voorkomen.
Een niet of slecht functionerende aangezichtszenuw, die tijdens de operatie volledig intact is gebleven, herstelt zonder behandeling in de loop van enkele weken tot maanden.

Gevoelszenuw

Om een oorspeekselklieraandoening adequaat te verwijderen is het niet altijd mogelijk om de belangrijkste gevoelszenuw van de huid in de hals te behouden. Dit veroorzaakt na de operatie een verdoofd gevoel van de oorschelp en het operatiegebied. Na verloop van enkele maanden wordt het verdoofde gebied steeds kleiner en vaak herstelt het helemaal.

Zijn er ook late gevolgen van de operatie?

Andere gevoelssensatie
Zoals hierboven al beschreven, kan er soms een doof gevoel van oorschelp en het operatiegebied blijven bestaan, dat echter nauwelijks hinderlijk is.

Transpireren wang
Bij het verwijderen van (een deel van) de oorspeekselklier worden, met het oog onzichtbare, zenuwtakjes doorgesneden, die belangrijk zijn voor de speekselproductie. Na de operatie kunnen deze doorgesneden zenuwtakjes vergroeien met zenuwuiteinden van zweetkliertjes in de wang, waardoor een soort ‘kortsluiting’ ontstaat. Bij een minderheid van de patiënten kan dit tijdens of voor een maaltijd leiden tot transpiratie en roodheid van de huid in het geopereerde gebied. We noemen dit late gevolg van de oorspeekselklieroperatie het syndroom van Frey. Ook het ruiken of zien van voedsel kan tot een dergelijke reactie leiden. Wanneer dit transpireren tot problemen aanleiding geeft, is behandeling mogelijk met plaatselijke injecties van een medicament dat deze zenuwtjes blokkeert.
Dit is echter een relatief zeldzame complicatie.

Is er kans op complicaties?

Nabloeding
Wanneer de wonddrain fors gaat lopen, de wang dikker wordt en/of het kuiltje, dat voor of onder het oor ligt, opgevuld raakt, is er sprake van een nabloeding. Het is dan meestal noodzakelijk opnieuw de wond onder narcose te openen en een bloedend bloedvaatje dicht te maken.

Uitval aangezichtszenuw
Een blijvende uitval van de aangezichtszenuw kan optreden, maar is uiterst zeldzaam. Bij een goedaardig gezwel is dit risico kleiner dan 1%.

Ontstoken oog
Als door de aangezichtsverlamming het oog niet meer (geheel) sluit kan de oogbol uitdrogen en een oogontsteking optreden. Er ontstaat een pijnlijk, tranend, rood oog. Behandeling met een horlogeglasverband en/of oogdruppels is dan (ook overdag) nodig. Zelden hoeft een oogarts te worden ingeschakeld.

Kan een gezwel in de oorspeekselklier kwaadaardig zijn?

Een kwaadaardige gezwel (speekselklierkanker) van de oorspeekselklier is zeldzaam, maar komt wel voor. Uw nko-arts zal zeker de gevolgen hiervan met u bespreken.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke
situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

Wat is het slaap-apneusyndroom?

Een apneu is een pauze van de ademhaling van meer dan 10 seconden. 
Bij een klein deel van de snurkende mensen is de keelholte zo nauw dat het zachte gehemelte met de huig en de keelwand af en toe helemaal tegen elkaar aan gezogen worden waardoor een totale afsluiting van de luchtweg ontstaat: er is een ademstilstand die wel dertig seconden of langer kan duren.
Men spreekt van een slaap-apneusyndroom wanneer ademstilstanden meer dan tien maal per uur optreden. Het is belangrijk op te merken dat door zo’n afsluiting géén gevaar bestaat voor verstikking! De hersenen geven namelijk een alarmsignaal af, waardoor de snurker minder diep gaat slapen of zelfs (soms benauwd) wakker wordt. De spieren in het zachte gehemelte en de tong worden dan meer aangespannen. Daardoor wordt de keelholte opengetrokken, zodat weer normaal adem gehaald kan worden. De snurker slaapt dan weer verder en langzaam ook steeds dieper totdat weer een volgende apneu optreedt.
Door al deze apneus en alarmsignalen uit de hersenen is de kwaliteit van de slaap erg slecht; het lukt de patiënt eigenlijk niet of nauwelijks om diep genoeg te slapen. De slaap-apneupatiënt wordt niet uitgerust wakker en heeft veel last van slaperigheid overdag. Dit betekent niet zo maar moe zijn, maar echt en ongewild in slaap vallen bijvoorbeeld tijdens een gesprek met iemand, tijdens het lezen van een krant, maar soms ook bij activiteiten als autorijden. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties, niet alleen voor de patiënt zelf, maar ook voor anderen! Omdat de slaap zo slecht is, is de concentratie overdag ook slecht en kan de slaap-apneupatiënt erg vergeetachtig zijn.
Door de alarmsignalen uit de hersenen treden ook wisselingen in de bloeddruk op; hierdoor hebben hart en bloedvaten te lijden en kan hoge bloeddruk ontstaan. Zo is het snurken niet alleen maar lastig voor de partner, maar schaadt het ook de gezondheid van de snurker. Het lichaam en de geest van de slaap-apneupatiënt krijgen minder rust. Een slaap-apneupatiënt kan zich ‘s nachts minder goed herstellen, zodat gezegd zou kunnen worden dat deze patiënt sneller “slijt”. De levens- 
verwachting van iemand met het slaap-apneusyndroom is dan ook korter.
Om vast te stellen of er inderdaad sprake is van een slaapapneu- 
syndroom moet een nachtelijke meting tijdens de slaap worden verricht (polysomnografie).

Wat is een polysomnografie?

Om vast te stellen of er sprake is van een slaap-apneusyndroom, moet de arts een nachtelijke meting tijdens de slaap laten verrichten. Men noemt dit een polysomnografie (poli = veel; somnus = slaap; grafie = schrijven: tijdens de slaap wordt veel “geschreven”, d.w.z. door een apparaat geregistreerd). Net als bij een EKG (hartfilmpje) wordt met elektrodes de activiteit van de hersenen, van de longen, van de spieren van de borstkas en in de benen gemeten. Daarnaast worden de bloeddruk en het zuurstofgehalte in het bloed geregistreerd. Er kan dan beoordeeld worden hoe diep iemand slaapt, hoe vaak apneus optreden en hoeveel wekreacties in de hersenen ontstaan. Een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden binnen het ziekenhuis in een zogenaamd slaaplaboratorium.

Hoe is het slaap-apneusyndroom te behandelen?

Er zijn vier behandelingsmethoden:

  1. De beste methode is “nasale CPAP” (via de neus toegediende Continue Positieve luchtweg druk (= Airway Pressure)). Hierbij wordt een neusmasker gedragen dat met een slang verbonden is aan een apparaat dat op het nachtkastje staat (zie foto).Het neusmasker bij behandeling met nasale CPAP. Dit apparaat pompt voortdurend lucht in de neus en keel, zowel tijdens het in- als tijdens het uitademen. Hierdoor ontstaat een overdruk, zodat de wanden van de keelholte niet samen kunnen vallen. Er treden dan veel minder ademstilstanden op en ook het snurken is meestal verdwenen. 
Het moge duidelijk zijn dat dit geen comfortabele situatie is en dat gewenning noodzakelijk is. Dat lukt niet bij iedere patiënt; als iemand zich echter veel meer uitgerust voelt, dan wordt vaak het ongemak voor lief genomen.
  2. Een tweede methode is het gebruik van de hierboven beschreven prothese die de keelholte wijder maakt door de onderkaak en de tong niet naar achter te laten zakken tijdens de slaap. Deze methode is minder effectief dan de CPAP.
  3. Als sprake is van een licht slaap-apneusyndroom kan behandeling door middel van een uvulo-palato-faryngo-plastiek (zoals hiervoor beschreven bij de behandeling van snurken) worden verricht. De kans op een succesvol resultaat is veel kleiner, zeker op langere termijn.
  4. Tot slot moet nog een operatieve therapie genoemd worden, waarbij de onderkaak naar voren wordt verplaatst. Dit is een uitgebreide operatie waarbij de onderkaak net achter de verstandskiezen wordt doorgezaagd en naar voren wordt gebracht. Met schroeven wordt de onderkaak in een andere positie vastgezet. Omdat de vorm van de onderkaak door de operatie verandert, is vaak een nabehandeling door een orthodontist nodig om de stand van de tanden aan te passen aan de nieuwe vorm van de onderkaak. Patiënten met een onderontwikkelde onderkaak komen voor deze behandeling in aanmerking. Deze operatie wordt uitgevoerd door een stomatoloog. Bij de juiste patiënten uitgevoerd, zijn de resultaten van de deze ingreep goed.

 

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

SNURKEN

Wat is snurken?

Snurken wil zeggen dat bij het ademhalen tijdens het slapen een zagend, ruisend-brommend geluid gemaakt wordt. Dit geluid is soms zo sterk dat een partner, huisgenoot of zelfs buren er last van kunnen hebben. 
Bij de ademhaling gaat de lucht via de neusholte, de keelholte en de luchtpijp naar de longen.
Zijaanzicht van de neusholte (1), de mondholte (2) de tong (3), het harde gehemelte (4) zachte gehemelte met in het midden daarvan de huig (5) de keelholte (6) met daaronder de stembanden (dit zijn twee witte slijmvliesplooien net onder het cijfer 7), de luchtpijp (8), die vóór de slokdarm (9) ligt en de adamsappel (10).
Aan het begin van de luchtpijp zitten de stembanden (ter hoogte van de adamsappel). Snurkgeluiden ontstaan door een vernauwing in de luchtweg in het traject tussen de ingang van de neus (neusgaten) en de stembanden. Bij mensen die snurken is soms de neusholte te nauw, maar meestal betreft het een vernauwing achter de huig (dat is de overgang van de neus- naar de keelholte) of het gebied in de keelholte áchter de tong (zie in de tekening het ovale gebied).
Door deze vernauwing ontstaat er bij het inademen een onderdruk in de keel waardoor het zachte gehemelte met de huig, de tong en de wanden van de keelholte naar elkaar toe gezogen worden en gaan trillen; dit veroorzaakt het snurkgeluid. Snurkgeluiden zijn te vergelijken met het leeglopen van een opgeblazen ballon; veel lucht stroomt dan heel snel door een nauwe doorgang met als gevolg dat dit nauwe deel gaat trillen en een snerpend geluid maakt.

Wie snurkt?

Snurken komt voor op alle leeftijden en neemt toe met de leeftijd, maar op oudere leeftijd snurken meer mensen en is het snurkgeluid harder. Dit komt omdat het slijmvlies van de keelholte bij het ouder worden dikker wordt ten gevolge van ophoping van vetweefsel; de doorsnee van de luchtweg wordt hierdoor kleiner. Bovendien worden slijmvliezen, net als de huid, op oudere leeftijd slapper, zodat zij makkelijker kunnen gaan trillen. 
Ongeveer één op de tien kinderen snurkt. Op volwassenen leeftijd snurkt ongeveer één op de vijf mannen en één op de tien vrouwen elke nacht. Meestal ontstaat snurken tussen het dertigste en veertigste levensjaar. In sommige families komt snurken veel voor en begint dan meestal rond het twintigste jaar; dit ligt waarschijnlijk aan een erfelijk bepaalde nauwe keelholte.

Wat voor omstandigheden bevorderen het snurken?

Het snurken wordt bevorderd door omstandigheden die het deel van de luchtweg tussen de neusingang en de stembanden nauwer maken. Deze omstandigheden zijn:

  • Slapen op de rug; hierdoor zakken het zachte gehemelte, de huig en de tong naar achteren.
  • Een van nature lang en vrij slap zacht gehemelte en huig.
  • Verslapping van de spieren van het zachte gehemelte, de huig en de tong door oververmoeidheid en door ouder worden. Ook alcohol en bepaalde medicatie (slaapmiddelen, kalmerende middelen) verminderen de spanning in deze spieren waardoor ze verslappen.
  • Voortdurende irritatie van de keel door roken of brandend maagzuur (ten gevolge van een breuk in het middenrif) kan de wand van de keelholte verdikken en de doorgang nauwer maken.
  • Overgewicht. Hierbij worden ook de wanden van de keelholte dikker.
    Vergrote keelamandel of neuspoliep. Dit komt vooral bij kinderen voor.
    Een te nauwe neusholte oftewel neusverstopping door zwelling van het neusslijmvlies (bij verkoudheid en allergie), door poliepen (dit zijn met vocht gevulde uitstulpingen van het neusslijmvlies) of door scheefstand van het neustussenschot, waardoor een te lage luchtdruk ontstaat in de keelholte bij het inademen.

Zijn er leefregels om snurken te voorkomen?

Met bepaalde maatregelen kunt u mogelijk het snurken verminderen:

  • Vermijd alcoholgebruik vanaf twee uur voor het slapen.
  • Gebruik geen zware maaltijd vlak voor het slapen.
  • Stop met roken.
  • Streef naar een goed lichaamsgewicht door gezond te eten en voldoende te bewegen. Een vuistregel is dat uw lengte (boven de meter) in centimeters gelijk is aan het ideale gewicht (in kilo’s).
  • Zorg voor een regelmatig leefpatroon, waarbij eventuele slaapmiddelen en kalmerende middelen niet meer nodig zijn.

Zijn er eenvoudige hulpmiddelen tegen het snurken?

Er zijn in het verleden enkele methoden ontwikkeld om het snurken tegen te gaan:

  • Kinbanden om de mond gesloten te houden.
  • Plastieke spreiders om de neus open te houden.
  • Elektrische apparaatjes die een stroomstootje geven als het snurken begint.
  • Een tennisbal in de rug van de pyjamajas naaien om te voorkomen dat de snurker op zijn rug gaat liggen.

Ook zijn er tegenwoordig sprays op de markt die snurken zouden voorkomen.
Deze middelen werken slechts zelden en hebben vaak als enig effect een verstoorde nachtrust met daardoor slaperigheid overdag.

Hoe kun je vaststellen waardoor snurken wordt veroorzaakt?

De nko-arts zal allereerst vele vragen stellen aan de patiënt en zijn of haar partner om er achter te komen of er factoren zoals roken, alcoholgebruik, medicatiegebruik of gewichtstoename aanwezig zijn die het snurken kunnen verklaren. Ook zal worden gevraagd naar met name neusverstoppingsklachten en keelklachten. 
De nko-arts zal ook de neus en keel uitgebreid onderzoeken, waarbij vaak met een flexibele endoscoop (kijkbuisje met diameter van 4 mm) de binnenkant van de neus en de keel tot aan de stembanden wordt bekeken, om zo te beoordelen waar vernauwingen aanwezig zijn. 
Soms zullen ook allergietesten en röntgenfoto’s worden gemaakt.

De operatieve behandeling van de meest frequente oorzaak van snurken

Wanneer de nko-arts heeft vastgesteld wat de oorzaak van het snurken is, kan eventueel een behandeling volgen. Soms ligt de oorzaak van snurken in de neus. Een scheef neustussenschot, een allergie of poliepen kunnen neusverstopping veroorzaken. Een allergie kan met medicatie worden behandeld. Soms biedt een operatie aan het neustussenschot of het verwijderen van poliepen uitkomst om een te nauwe neusholte ruimer te maken. Bij kinderen kan het snurken vaak met succes worden bestreden door de keelamandelen en/of neuspoliep te verwijderen. 
In veruit de meeste gevallen wordt het snurken veroorzaakt door een te nauwe overgang van de neusholte naar de keelholte; dit is de ruimte achter het zachte gehemelte en de huig. Er zijn op dit moment in België twee methoden om snurken dat in dit gebied ontstaat operatief te behandelen:

  1. Uvulo-palato-faryngo-plastiek 
De klassieke en oudere manier is het verwijderen van het grootste deel van de huig en het zachte gehemelte (uvulo-palato-faryngo-plastiek: UPPP). Dit verwijderen kan met een mes of met de laser; voor de patiënt heeft dit hetzelfde resultaat. Als er nog keelamandelen aanwezig zijn, worden deze vaak weggehaald.
    De linker tekening laat de situatie zien vóór inkorten van de huig en het zachte verhemelte en vóór verwijdering van de amandelen; de rechter tekening laat de situatie ná operatie zien.
    De overgang van de neus naar de keel wordt door deze operatie ruimer en het snurken verdwijnt bij ongeveer negen van de tien mensen, maar na een paar jaar komt het snurken bij sommige mensen terug; na vijf jaar werkt de operatie daarom nog maar bij zeven van de tien mensen. Dit komt omdat er zich langzaam weer wat vet ophoopt in de huig en het zachte gehemelte. De operatie kent zeker ook nadelen:
    Direct in aansluiting op de operatie is het slikken heel pijnlijk. Dit duurt soms wel twee weken, zodat in deze tijd vaak niet gewerkt kan worden.
    Er kan een droog gevoel overblijven in de keel of een gevoel dat er een brok in de keel zit.
    In uitzonderlijke gevallen kan het zachte gehemelte te kort worden, zodat de neusholte aan de achterzijde niet meer goed kan worden afgesloten. Bij drinken komt dan vloeistof via de neus naar buiten. Meestal is dit een tijdelijk probleem, soms is een operatie noodzakelijk, waarbij het zachte gehemelte weer wat langer wordt gemaakt.
  2. Gecontroleerde littekenvorming of coblatiemethode
Een minder belastende behandeling is het verstijven van de huig en het zachte gehemelte door middel van gecontroleerde littekenvorming. Dit gebeurt met behulp van een naald die op 3 tot 5 plaatsen in het zachte gehemelte wordt gestoken. Met behulp van trillingen (zogenaamde radiofrequente energie) of door ioniserende effecten (coblatietherapie) worden de naald en het weefsel verhit tot 85 graden Celsius. Er ontstaat dan geen echte brandwond, maar er treedt een soort smelten op in de diepte van het zachte gehemelte. Hierdoor ontstaat littekenweefsel. Een eigenschap van littekenweefsel is dat het stijver is dan normaal weefsel, zodat het gehemelte minder makkelijk kan gaan trillen en snurken dus minder gemakkelijk op zal treden. Ook wordt er met behulp van de coblatiesonde een insnede gemaakt in de bogen van het zacht verhemelte, beiderzijds van de huig en wordt de huig ingekort, zodat de goede resultaten van de klassieke methode worden geëvenaard.
    Deze behandeling wordt onder volledige verdoving verricht. Na de behandeling is de keel ruim een week gevoelig, maar veel minder dan na een uvulo-palato-faryngo-plastiek. Als er ook een duidelijke neuspathologie aanwezig is (scheefstand van het neustussenschot, chronische sinusitis, poliep) zal er in zelfde narcose ook hier een operatie aan gebeuren.
    Deze behandeling kent ook nadelen:
    In zeldzame gevallen kan als complicatie van de ingreep een gat in het zachte gehemelte ontstaan, dat een paar weken pijn kan doen, maar vrijwel altijd vanzelf weer dichtgroeit.
    De coblatiesonde in ‘disposable’, dwz dat er telkens een nieuwe sonde wordt gebruikt per patiënt. Deze wordt vooralsnog niet altijd vergoed door de hospitalisatieverzekering en de kosten bedragen ongeveer € 200.

De niet-operatieve behandelingen van snurken

Een niet-operatieve behandeling voor snurken is mogelijk door het gebruik van een plaatje van kunststof dat over de tanden wordt geklemd en dat de onderkaak naar voren houdt tijdens de slaap. Deze prothese wordt ook wel MRA genoemd: Mandibulair (= onderkaak) Repositie (= verplaatsing) Apparaat. Een MRA is effectief voor de behandeling van snurken dat ontstaat zowel ter hoogte van het zachte gehemelte en de huig als op het niveau van de achterkant van de tong en het strotten- 
klepje. Er zijn meerdere typen van deze protheses op de markt, die alle werken volgens hetzelfde principe. Een voorbeeld wordt getoond in de figuur; er wordt een afdruk (bitje) van het boven- en ondergebit gemaakt, die stevig over de tanden en kiezen past. Deze kunststof bitjes zijn met elkaar verbonden door middel van twee staafjes (zie figuur).
Dit is een prothese met een staaf- 
verbinding tussen de twee delen van de prothese. Het onderste deel van de prothese zit om het ondergebit en het bovenste deel van de prothese zit om het bovengebit. Door de (zie de pijl bij één van de) staafjes wordt het onderste deel van de prothese, dus het ondergebit en hiermee ook de onderkaak meer naar voren gedwongen.
Het apparaat zorgt ervoor dat in liggende houding tijdens het slapen de onderkaak niet naar achteren kan zakken. Omdat de tong aan de onderkaak vastzit, blijft ook de tong beter op zijn plaats en zakt minder makkelijk in de keel. De luchtweg achter in de keelholte blijft op deze manier dus ruimer tijdens de slaap, zodat minder gemakkelijk snurken optreedt. Als nadeel moet genoemd worden dat:
De prothese elke nacht gedragen moet worden.
De prothese moet worden aangeschaft, terwijl nog niet duidelijk is of deze prothese wel wordt verdragen (sommige mensen vinden het dragen van de prothese zo oncomfortabel dat zij afzien van het gebruik ervan).
Bij onoordeelkundige aanpassing pijnklachten van de kaakgewrichten op kunnen treden.
Deze methode niet kan worden toegepast bij mensen met een kunstgebit.
De prothese meestal niet wordt vergoed door de hospitalisatieverzekering; de kosten variëren van € 230.- tot € 700.-, afhankelijk van het type prothese.

Hoe belangrijk is spreken?

Spreken is voor kinderen al vrij snel een belangrijk communicatiemiddel. Kinderen die slecht spreken kunnen zich vaak niet goed uiten. In ernstige gevallen kan dit tot moeilijk gedrag of driftbuien leiden. Wanneer een kind begint met ‘leren’, dan wordt taal heel belangrijk: de meeste kennis verwerft een kind door informatie via taal. Maar niet alleen spraak en taal zijn van belang. Ook een afwijkende stem kan een kind slecht verstaanbaar maken; hierdoor kan dus eveneens het contact met de omgeving bemoeilijkt worden.
 Het geluid van de stem wordt gemaakt in het strottenhoofd (herkenbaar aan de adamsappel) door het trillen van de stembanden. Dit zijn plooien, die naar elkaar toe bewogen kunnen worden en dan in trilling worden gebracht door de uitademingslucht. Van het geluid dat in het strottenhoofd gemaakt wordt, maken we klanken door bewegingen van mond en keel. Strottenhoofd, mond en keel vormen tezamen onze spraakorganen.

SPRAAKSTOORNISSEN

Articulatieproblemen

Bij afwijkingen in de mond of de keel kan een kind bepaalde klanken soms niet goed vormen. Uw nko-arts zal daarom de spraakorganen van uw kind onderzoeken. Wanneer er afwijkingen gevonden worden, zal worden besproken wat er aan gedaan kan worden. Heeft uw kind bijvoorbeeld een grote neuspoliep, waardoor het “door de neus” (gesloten nasaal) praat, dan kan uw nko-arts voorstellen de neusamandel te verwijderen. Het kan ook zijn dat het verhemelte van uw kind aan de korte kant is; dan praat het ook door de neus (dit keer open nasaal, ‘neuslek’).
Meestal worden er echter geen afwijkingen aan de spraakorganen gevonden, maar ligt de oorzaak van de spraakstoornis aan een onjuist gebruik van deze organen. Het kan bijvoorbeeld zijn, dat een kind de gewoonte heeft om de mond open te houden, waardoor de lipspieren verslapt zijn. Uw nko-arts kan uw kind in dat geval verwijzen naar een logopedist(e) voor gerichte oefentherapie. Overigens hoeft een kind bepaalde klanken, zoals “sch” of de “r”, pas met 7 jaar te beheersen.
Tevens zal uw nko-arts er altijd op letten of uw kind goed hoort. Een slecht gehoor kan ook een oorzaak van niet goed spreken zijn.

Stotteren

Stotteren komt veel voor. Lang niet alle kinderen, die als kleuter stotteren, blijven dit doen. Kleine kinderen hebben vaak veel te vertellen, maar zijn nog niet zo bedreven in het spreken en gaan dan stotteren. Als ouder hoeft u zich hier niet ongerust over te maken. Sommige kinderen hebben meer aanleg voor stotteren dan anderen. Komt stotteren in de familie voor, dan is de kans groter dat kinderen blijven stotteren. In dit geval is het wel verstandig om vroeg aan de bel te trekken. Dat moet u ook doen, wanneer u merkt dat het kind zelf door heeft dat het niet goed uit zijn woorden kan komen. Ook wanneer uw kind dingen gaat vermijden of wanneer het lichamelijk reageert tijdens het stotteren, bijvoorbeeld door het maken van bewegingen of door transpireren. Uw nko-arts zal u na een gesprek en na onderzoek van uw kind wellicht kunnen geruststellen en u enige adviezen geven over uw manier van praten met uw kind. Het is ook mogelijk dat voor verdere begeleiding een doorverwijzing naar een logopedist(e)/stottertherapeut noodzakelijk is.

STEMSTOORNISSEN

Kinderheesheid
Wanneer er afwijkingen zijn van de stembanden, dan is het niet mogelijk een goed geluid te maken. Uw nko-arts zal de stembanden proberen te onderzoeken met een spiegeltje dat in de mond van het kind gehouden wordt. Wanneer dit moeilijk gaat, dan kan zonodig met een dun slangetje gekeken worden. Het slangetje wordt via de neus in de keelholte van het kind gebracht. In enkele gevallen kan verder onderzoek in narcose nodig zijn.
Meestal worden aan de stembanden van het kind geen afwijkingen gevonden, maar blijken de stembanden bij spreken niet goed te sluiten, waardoor er teveel lucht bij spreken ontsnapt. Dit horen wij dan als heesheid.
Een kind kan leren de stem beter te gebruiken. Dit is voor de meeste kinderen wel heel moeilijk, vooral omdat zij zelf vaak geen last van de heesheid hebben. Uw nko-arts zal u vertellen hoe dit verbeterd kan worden. Wanneer u en uw kind hiervoor voelen, dan kunt u verwezen worden naar een logopedist(e) bij u in de buurt.
Bij verkeerd stemgebruik kunnen de stembanden plaatselijk dikker worden. Er ontstaan dan zgn. stembandknobbeltjes, die bij een beter gebruik van de stem weer verdwijnen. Gelukkig gaan de meeste kinderen hun stem na de puberteit “vanzelf” beter gebruiken, de stembanden zijn dan gegroeid en – de nu langere stembanden – worden makkelijker gebruikt.
Het is belangrijk, dat een kind bij heesheid zijn stem niet forceert door veel schreeuwen en gillen of door het maken van rare stemmetjes.
Taalstoornissen
Een kind leert zijn moedertaal al heel vroeg. In het eerste jaar oefent het al bepaalde klanken en de zinsmelodie van de moedertaal. Rond de eerste verjaardag moet een kind zijn eerste woordjes gaan spreken (vaak mama). Als een kind 2 jaar is moeten er zinnetjes van twee woordjes gesproken worden. Tot circa 6 jaar is een kind gevoelig voor het leren van taal, het leert dit veel makkelijker dan een volwassene. Voor ouders is het vaak moeilijk om te weten of hun kind voldoende spreekt. Vergelijking met andere kinderen, de mening van de juf of meeste in de klas, kan u vaak helpen. Wanneer u zich zorgen maakt over de taalontwikkeling van uw kind, dan zal de nko-arts uw kind onderzoeken om een oorzaak voor een achterstand in taalontwikkeling te vinden. Vooral het gehoor van uw kind krijgt aandacht. Slechthorendheid, ook als dit tijdelijk is, kan de oorzaak zijn van een slechte taalontwikkeling. Uw nko-arts kan, afhankelijk van wat er gevonden is, een bepaalde therapie voorstellen, bijvoorbeeld het plaatsen van trommelvliesbuisjes. Misschien moet er nog meer onderzoek gebeuren, zoals een taaltest, zodat beter bekend wordt hoe de taalontwikkeling van uw kind is. Ook is het mogelijk, dat doorverwezen wordt naar een team met meer specialisten. Misschien acht uw nko-arts het raadzaam de taal van uw kind door een logopedist(e) te laten stimuleren.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

Hoe belangrijk is spreken?

Spreken is bij mensen het meest gebruikte communicatiemiddel. In veel beroepen moeten mensen hun stem vaak gebruiken, bv. in het onderwijs en in de verkoop. Bij stemproblemen kunt u in uw spreken en dus in uw functioneren belemmerd worden. Als u spreekt, geeft u behalve de inhoud van uw woorden ook informatie over emoties. U kunt bv. dezelfde zin koel en afstandelijk of warm en hartelijk uitspreken. Afwijkend stemgeluid kan daarom een verkeerde indruk van uw stemming geven.

Hoe maakt u geluid?

Geluid ontstaat in het strottenhoofd (adamsappel) dat een verbinding vormt tussen de luchtpijp en de keelholte. In het strottenhoofd liggen de stembanden. Dit zijn twee plooien die door spieren naar elkaar gebracht kunnen worden en zo de luchtpijp afsluiten. Als de stembanden tegen elkaar gehouden worden, dan kunnen ze in trilling gebracht worden door de uitgeademde lucht. Deze stembandtrilling veroorzaakt het geluid dat te horen is. Door de spanning in de stembanden te veranderen, verandert de toonhoogte van het geluid. Ook deze spanningsverandering vindt plaats door spierbewegingen. Uiteraard wordt bij spreken niet alleen het strottenhoofd gebruikt. Het stemgeluid wordt omgezet in verschillende klanken door bewegingen van de lippen, tong, gehemelte en keel.

Stemstoornissen

Welke soorten worden onderscheiden?
Als er afwijkingen aan de stembanden zijn, dan beïnvloedt dit de trilling van de stembanden en dus het geluid dat gemaakt wordt. In het algemeen komt dit tot uiting in een vorm van heesheid of schorheid.
Infectie.
De meest voorkomende aandoening is een ontsteking. Iedereen is wel eens hees bij een verkoudheid. Vaak worden de infecties veroorzaakt door virussen en genezen vanzelf. Ook als er een bacteriële infectie is, is dit vaak het geval. Bij ernstige of chronische infecties kan het voorschrijven van medicatie noodzakelijk zijn, eventueel zal gezocht worden naar een mogelijke infectiebron, bijvoorbeeld in de neusbijholten.

Stemmisbruik.

Irritatie van de stembanden kan echter ook het gevolg zijn van stemmisbruik, van blootstelling aan irriterende gassen/dampen, van roken of in een enkel geval van allergie.

Verlamming.

Ook wanneer de stembanden door een verlamming niet goed naar elkaar kunnen komen, klinkt de stem hees. Soms geneest een stembandverlamming. Dit is afhankelijk van de oorzaak. Er zal dus geprobeerd worden om de oorzaak van de verlamming te vinden. Wanneer er geen herstel plaatsvindt, kan de stem vaak verbeterd worden door oefeningen (logopedische therapie). Eventueel kan zonodig een operatie worden uitgevoerd.

Zwelling.

Er bestaan verschillende goedaardige zwellingen van de stembanden. De stem is in deze gevallen vaak te verbeteren door de zwelling, bijvoorbeeld een goedaardige stembandpoliep, te verwijderen. Deze ingreep vindt meestal in narcose plaats. Een ander voorbeeld van goedaardige zwellingen van de stembanden zijn de zgn. stembandknobbels, die kunnen ontstaan bij onjuist stemgebruik.

Verkeerd stembandgebruik.

Het is ook mogelijk dat bij patiënten met stemproblemen géén afwijkingen aan de stembanden worden gevonden. De stem klinkt slecht door het niet goed gebruiken van de stembanden tijdens het spreken. De reden hiervan is niet altijd te achterhalen. Soms sluiten mensen na een stembandinfectie hun stembanden niet goed. Misschien omdat zij hun stembanden “ontzien” hebben tijdens de infectie. Anderen sluiten hun stembanden dan juist veel te krachtig. Wellicht omdat zij hun stem tijdens de infectie hebben geforceerd.

Kanker.

Heesheid kan ook worden veroorzaakt door kanker van de stembanden. Deze vrij zeldzame aandoening komt vooral voor bij oudere, rokende mannen en kan in een vroeg stadium meestal goed worden genezen. In een dergelijk vroeg stadium heeft de behandeling ook nauwelijks gevolgen voor de stem. Hoe vroeger de diagnose wordt gesteld, hoe beter het is. Bij de minste twijfel zal daarom een verdacht stukje weefsel van de stemband, verkregen tijdens een kleine ingreep in narcose, nader onder de microscoop worden onderzocht.

Lichamelijke conditie.

Lichamelijke conditie kan een rol spelen bij stemproblemen. Bij vermoeidheid wordt de stem misschien niet krachtig genoeg gebruikt. Emoties kunnen ook een oorzaak van verkeerd stemgebruik zijn, bijvoorbeeld door een te hoge spierspanning. Het komt echter vaak voor dat er geen duidelijke oorzaak wordt gevonden.

Welk onderzoek doet een nko-arts?

Uw nko-arts zal onderzoeken of u uw stembanden verkeerd gebruikt. Dit doet hij/zij met behulp van een flexibele of starre camera om de stembanden van nabij te bekijken. Het is mogelijk, dat als gevolg van het onderzoek wordt besloten tot verwijzing naar een logopedist(e). Deze leert u uw stem beter te gebruiken, o.a. door oefeningen. Uiteraard kost dit enige tijd en dus geduld en moeite.

Wat zijn de gevolgen van verkeerd stemgebruik?

In enkele gevallen kan verkeerd stemgebruik leiden tot het ontstaan van afwijkingen van de stembanden, bijvoorbeeld stembandknobbels. In een dergelijke situatie moet natuurlijk de oorzaak van de knobbels, nl. het verkeerde gebruik van de stem, worden weggenomen. Wanneer dit gebeurt, vaak is hierbij logopedische hulp noodzakelijk, verdwijnen de knobbels vrijwel altijd. Is het resultaat echter onvoldoende, dan kan uiteindelijk geadviseerd worden om de stembandknobbels operatief te verwijderen. Een dergelijke operatieve behandeling zal altijd weer gevolgd worden door een periode met logopedie.

Wat kunt u zelf doen bij stemproblemen?

Niet roken, dit is altijd slecht voor de stembanden.
Door uw neus ademen en voldoende water of ander vocht drinken. Als uw slijmvlies uitdroogt, is het kwetsbaar.
De stem niet forceren wanneer u flink verkouden bent.
Niet kuchen, schrapen, fluisteren en schreeuwen.
Rustig spreken. Als u te gehaast spreekt, heeft u geen tijd om uw stembanden op de juiste manier te gebruiken.

Slotwoord

Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven. Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw nko-arts om nadere uitleg te vragen.

LET OP!

De informatie hierboven is de beschrijving in grote lijnen. In elk individueel geval zal het verhaal steeds wat kunnen afwijken van hetgeen hierboven werd beschreven.

©2017 NEUS-, KEEL- & OORZIEKTEN ASSOCIATIE, een dienst van AZ Maria Middelares Gent

 09/246.83.00 -   Secretariaat.nko@azmmsj.be

Log in with your credentials

Forgot your details?